Toelichting

Het strategisch belang van de Scheldemond was al eeuwenlang groot: wie de toegang tot de belangrijke havenstad Antwerpen controleerde, controleerde ook het omvangrijke achterland: België en Zuid-Nederland met belangrijke industrie, landbouw en verbindingen naar Noord-Frankrijk, Nederland en het Duitse Roergebied.           

Meteen na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 begon de Duitse marine met het versterken van Vlissingen en Breskens: zo kon de toegang tot Antwerpen aan geallieerde vloten ontzegd worden en kon de eigen vloot Atwerpen blijven gebruiken. De verdediging concentreerde zich op Vlissingen, zelf een havenstad met industrie, met Breskens als zuidelijk bruggenhoofd. De verdedigingswerken waren aanvankelijk niet erg zwaar en uitgebreid: men volstond met groepsschuilplaatsen, bergplaatsen, open opgestelde kust- en luchtdoelbatterijen en eenvoudige commandoposten. Vanaf het najaar van 1942 werden zwaardere verdedigingswerken gebouwd. De batterijen, hoofdkwartieren en strandverdedigingscomplexen kregen zware bunkers, terwijl de stad Vlissingen omgeven werd door een tankversperring. Deze werd al snel aangevuld door een tweede tankhindernis op grotere afstand, vanaf Ritthem (Fort Rammekens) noordelijk langs Oost-Souburg, langs Koudekerke naar de kust bij Valkenisse en Zoutelande. Binnen dit terrein lagen talrijke stellingen. Voor de afsluiting van de Westerschelde waren er kustbatterijen zoals Dishoek, Kernwerk (aan de Vlissingse Buitenhaven) en Breskens. De luchtverdediging werd verzorgd door luchtdoelbatterijen, bijvoorbeeld Flakbatterie West (Nollebos westelijk van Vlissingen), Flakbatterie Nord (Vrijburg bij Souburg) en Flakbatterie Süd (Breskens). Verder in het achterland lagen indirecte batterijen die vuur afgaven op de stranden waaronder Stützpunkt Von Kleist (ten noorden van Vlissingen-Paauwenburg), een batterij achter de binnenste tankgracht, een batterij op de kop van de Vlissingse Buitenhaven en batterij Baskensburg aan de Vlissingse binnenhavens. Vele commandanten hadden zich binnen het beveiligde gebied gevestigd. Zo zetelde de Seekommandant Südholland in Vlissingen en de commandant van een luchtafweereenheid aan de kust ten westen van Vlissingen-Paauwenburg. Alle stellingen werden omgeven door een tankversperring, bestaande uit tankgrachten, tankmuren en drakentandversperringen. Als laatste wijkplaats binnen de Festung was er het Kernwerk, een citadel. Hierbinnen lag een kustbatterij, die de Scheldemond kon blijven beheersen wanneer de rest van de Festung zich al had moeten overgeven. Het Kernwerk lag aan de Buitenhaven en had een eigen tankgracht als begrenzing.

In oktober en november 1944 werden zware gevechten geleverd in de strijd om de Scheldemond. Na afloop bleek dat de meeste bunkers temidden van de puinhopen de strijd goed doorstaan hadden. Vanaf de jaren vijftig zijn vele bunkers aan de kust verdwenen door de dijkverzwaringen na de Watersnood van 1953. Ook de uitbreiding van industriegebieden en de bouw van woonwijken werd menige stelling fataal. Toch zijn er her en der – met name in de buitengebieden ten noorden van Vlissingen – nog interessante onderdelen bewaard gebleven, die een beeldende herinnering zijn aan het strategisch belang van de Scheldemond halverwege de twintigste eeuw.